19-04-08

Voedsel is geen koopwaar zoals alle andere, deel 2

Hvandeker : In aansluiting op het artikel van gisteren, enkele voorbeelden of getuigenissen om de stelling te ondersteunen dat voedsel geen koopwaar is zoals alle andere, maar een basisrecht, en wat de gevolgen zijn wanneer dit basisrecht niet wordt toegekend , door de overheid en alle andere partners in dit proces aan de lokale bevolking. En wat de gevolgen zijn als niet de juiste mensen en organisaties met die levensnoodzakelijke dingen bezig zijn.

Of wat de gevolgen zijn wanneer alleen het winstbejag telt en alleszaligmakend wordt en de aandeelhouder niet weet wat de woorden honger en voedsel en dorst en drinkwater willen zeggen.  Bron : e-MO nieuwsbrief van 18 april 2008

1. Haïtianen betalen prijs voor afhankelijkheid VS-voedselimport

reportage

Protestmars tegen hoge voedselprijzen in Port-au-Prince
Copyright: Nick Whalen/IPS

PORT-AU-PRINCE, 17 april 2008 (IPS) - Onder een roodgeelgroene paraplu op de markt van La Saline in Port-au-Prince gaat Hernite Joseph met een schroevendraaier een diepvrieskip te lijf. Ze sorteert de stukken kip in stapeltjes van drie hoog. “Mijn kinderen zien eruit als lucifers”, zegt ze, “Ze krijgen niet genoeg te eten.”

Haïti is een van de landen die het zwaarst wordt getroffen door de internationale stijging van de voedselprijzen. Opeenvolgende liberaliseringsrondes onder druk van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) hebben het land afhankelijk gemaakt van importvoedsel, zoals Amerikaanse rijst en diepvrieskip. Die producten zijn nu onbetaalbaar aan het worden.

“Lang geleden, toen de zaken nog goed gingen, verdiende ik genoeg om mijn twee jongste kinderen te eten te geven”, zegt Joseph. “Met een dollar en 25 cent kocht je toen groenten, rijst, wat houtskool en een beetje olie. Nu kost alleen de rijst 65 cent, en het is niet eens goede rijst. Olie kost 25 cent en houtskool nog eens 25 cent. Voor datzelfde geld kan niet eens een bord met rijst maken voor je kind.”

Haïti, het armste land op het westelijke halfrond, heeft net tien dagen van voedselrellen achter de rug, waarbij drie doden vielen. Zaterdag reageerde president René Préval door zijn eerste minister, Jacques-Edouard Alexis, de laan uit te sturen omdat hij niets had ondernomen tegen de stijgende voedselprijzen.

Préval beloofde ook geïmporteerde rijst goedkoper te maken. Momenteel kost een zak van 110 kilo rijst 51 dollar (32 euro). De regering wil van die prijs 5 dollar afhalen en heeft de importeurs gevraagd nog eens 3 dollar van hun winstmarge te halen. Uiteindelijk zou een zak rijst slechts 43 dollar (27 euro) mogen kosten. Het akkoord tussen de regering en de importeurs geldt evenwel maar voor een maand en het blijft afwachten of de prijsdaling ook op de markten zal te voelen zijn.

Lokale productie opnieuw opvijzelen

Préval heeft zich lange tijd verzet tegen subsidies voor importrijst, omdat die de concurrentiepositie van lokale rijstboeren verslechteren. “De goedkope importrijst heeft onze eigen rijstproductie vernietigd”, zei Préval. “Nu is de importrijst duur geworden, ligt de nationale productie in puin en is er nog meer ellende.”

De Haïtiaanse regering heeft aangekondigd dat ze met de hulp van Venezuela de prijs van meststoffen wil subsidiëren en een voorraad zal aanleggen voor het plantseizoen in juni en juli. Dertig jaar geleden produceerde Haïti zelf bijna al de rijst die het consumeerde. In de jaren tachtig werd de lokale rijst uit de markt gedrukt door import uit de VS, nadat de militaire junta met de steun van het IMF de economie begon te liberaliseren. De eerste ladingen importrijst moesten met een gewapende escorte naar de vallei van Arbonite worden gebracht, in het hart van de rijstproducerende regio van Haïti.

In 1984 werd het invoertarief op rijst verminderd van 35 tot 3 procent, het laagste in de regio, waardoor de rijstimport in één jaar verdubbelde. De Amerikaanse rijstboeren krijgen overheidsgeld om hun productie te stimuleren, terwijl het IMF Haïti verbood hetzelfde te doen met zijn eigen boeren. In de voorbije twintig jaar is de lokale rijstproductie in Haïti gehalveerd.

Op de markt van La Saline overheerst de geur van kip en vis, terwijl Hernite Joseph met haar schroevendraaier een nieuwe kip te lijf gaat. Als de voedselprijzen blijven stijgen, heeft ze maar weinig hoop voor zichzelf en haar drie kinderen: “We gaan allemaal dood”.

2. Bijna 40 landen onrustig door voedselcrisis

fruit

NEW YORK/BRUSSEL, 15 april 2008 (IPS) - Na de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds slaan ook de Verenigde Naties alarm: volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) is er in 37 landen sprake van een “voedselcrisis”.

De stijgende voedselprijzen hebben recent al tot betogingen en/of rellen geleid in Egypte, Kameroen (met een honderdtal doden), Burkina Faso, de Filipijnen en Haïti, terwijl er ook onrust was in Mexico, Indonesië, Ivoorkust, Mauritanië, Mozambique en Senegal.

Maar de VN noemen nog een hele reeks andere landen. De FAO somt eerst en vooral zes landen op met “uitzonderlijke tekorten in de voedselproductie en voorraden”: Irak, Zimbabwe, Somalië, Moldavië, Swaziland en Lesotho. In nog eens zes landen hebben veel mensen onvoldoende toegang tot voedsel: Eritrea, Liberia, Mauritanië, Sierra Leone, Afghanistan en Noord-Korea.

Uiteindelijk maakt het duurdere eten bijna veertig landen instabiel, allemaal landen waar meer dan de helft van het gezinsinkomen opgaat aan eten. Daartussen zitten ook grote landen als Pakistan, Indonesië en Egypte, en Noord-Afrikaanse landen waar de onvrede islamistische bewegingen kan versterken.

Waaier van oorzaken

De oorzaak van de onrust is een scherpe stijging van de prijs van tarwe, rijst, sorghum, maïs en soja, de belangrijkste voedingsmiddelen van een groot deel van de wereldbevolking. Grote groeilanden als China en India verbruiken steeds meer van die gewassen, terwijl maïs en soja ook massaal gebruikt worden voor de productie van biobrandstoffen. Daarnaast is het transport duurder geworden omdat de brandstofprijzen stijgen, terwijl ook kunstmest meer is gaan kosten. Het lijkt er ook op dat door de klimaatverandering meer oogsten mislukken.

Anuradha Mittal, de directeur van het in voedselvraagstukken gespecialiseerde Oakland Institute in San Fransisco, zegt dat ook de liberalisering van de landbouw en de specialisatie van ontwikkelingslanden in opbrengstgewassen als koffie, cacao, katoen en bloemen fatale gevolgen hebben voor de voedselzekerheid. Dat beleid werd aangemoedigd door de VS, de Europese Unie en de Wereldbank. Tegelijk liepen de investeringen in en de ontwikkelingshulp voor de landbouwsector terug. Ontwikkelingslanden zijn daardoor netto-importeurs van voedsel geworden. De ontwikkelingslanden voerden in de jaren zeventig van de vorige eeuw netto nog voor 1 miljard euro meer voedsel uit dan in. In 2001 keken ze aan tegen een deficit van 11 miljard dollar.

Antwoorden

Relatief rijke ontwikkelingslanden kunnen wat ondernemen tegen de onrust die de stijgende voedselprijzen met zich meebrengen. In Mexico trokken begin vorig jaar al betogers door de straten omdat de uit maïsmeel gemaakte tortilla’s duurder werden. De regering besloot de maïsprijzen nog meer te subsidiëren dan voordien al het geval was. Maar armere landen zijn voor dergelijke maatregelen aangewezen op hulp van buitenaf.

VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon heeft de donorlanden al opgeroepen dringend meer hulp te leveren aan Haïti. Daar hebben voedselrellen vorige week aan vier mensen het leven gekost. De Wereldbank trekt tien miljoen dollar noodhulp uit voor het armste land van het westelijk halfrond.

Volgens Mittal van het Oakland Institute is er veel meer nodig dan noodhulp. In de eerste plaats moet er overal een sociaal veiligheidsnet komen, en er zijn openbare distributiesystemen nodig om hongersnoden te voorkomen. De armste landen hebben daarvoor de hulp van donorlanden nodig. Daarnaast zouden ontwikkelingslanden en donorlanden meer moeten inzetten op de productie en consumptie van lokale gewassen door duurzame landbouwbedrijven. Landen moeten ook een beter prijs- en voorraadbeleid gaan voeren.

De commentaren zijn gesloten.